KORTE VERHALEN

Naast het schrijven van boeken, vind ik het ook erg leuk om korte verhalen te schrijven. Hier kun je er een paar van mijn hand lezen. 

Op zoek naar jou

Dit verhaal schreef ik voor de schrijfwedstrijd van Groot Nissewaard en de Boekenberg Spijkenisse, in 2013. Lees het verhaal over Lilian en Joerie, die elkaar ergens along the way van hun huwelijk kwijt raakten…

Hoe zijn Joeri en zij elkaar toch zo kwijtgeraakt?
Hoe konden ze van een gelukkig stel met een kindje op komst, veranderd zijn in een stel dat elkaar ontwijkt en amper meer met elkaar praat? En de zeldzame keren dat ze wel met elkaar spraken, liep het steevast uit op bonje. Joeri had vanochtend zelfs tegen haar geschreeuwd en haar armen stevig vastgepakt.
‘Ik weet het niet meer, Lilian. Ik weet niet meer hoe ik je kan bereiken!’
‘Alstublieft mevrouw.’
Lilian schrikt op uit haar gedachten aan Joeri als de Turkse vrouw haar het flesje met melk aanreikt. De eigenaresse van het kraampje met Turkse pizza’s is altijd zo vriendelijk om Esmee’s flesje op te warmen.
De dame met grijze strengen tussen haar verder zwarte haar kijkt haar aan. Ze lacht altijd vriendelijk maar Lilian ziet verdriet schuilgaan in de ogen van de vrouw. De lege blik waarmee ze in de kinderwagen tuurt tot het signaal van de magnetron klinkt. Zou ze zelf misschien een kinderwens hebben, die nooit in vervulling is gegaan?
Lilian gaat op een bankje zitten, schudt het flesje en druppelt een beetje melk op de binnenkant van haar pols. Te heet.
Ze sluit haar ogen en wrijft over haar pijnlijke armen, waar Joeri’s greep nog voelbaar is. Ze begrijpt best dat hij het moeilijk heeft, na de zware bevalling. Hij had alles zien gebeuren, voor hem was het natuurlijk ook heftig geweest.
Het korte moment dat ze er aan terug durft te denken, ziet ze bloed. Veel bloed. Ze voelt het vocht tussen haar benen sijpelen en hoort de zware stem van de arts bevelen roepen. Ze kan ze niet verstaan.
Gehuil. Van Esmee, van zichzelf, van Joeri?
En pijn, een allesoverheersende pijn die gevolgd wordt door stilte. IJzingwekkende stilte en dan duisternis.
Lilian voelt een golf van misselijkheid opwellen en slikt de brok die zich in haar keel gevormd heeft weg. Ze ademt diep in voor ze haar ogen weer opent en nogmaals de melk op haar pols druppelt. Koud.
Ze voelt hoe een rilling door haar lijf siddert. Hoe lang heeft ze haar ogen dicht gehad? Die melk was kokend heet geweest.
Een schreeuw die ze niet als van zichzelf herkent komt diep uit haar binnenste. Haar grootste nachtmerrie, recht voor haar. De kinderwagen is leeg! Ze wil nogmaals schreeuwen maar voelt hoe de klank in haar keel blijft steken en ze alleen een snik produceert.
Ze kijkt om zich heen. Haar ogen speuren de rijen marktkramen af maar nergens is een baby te zien.
‘Help! Help!’ Ze ziet hoe mensen verbaasd naar haar kijken en hoe de vrouw van de Turkse pizza’s achter haar kraam vandaan stiefelt.
‘Mevrouw, wat is aan de hand met u?’ vraagt ze met haar accent.
‘Mijn dochter, ze is weg! Kijk dan!’ Lilian voelt het koude zweet op haar voorhoofd en tranen wellen op in haar ogen.
‘Kom mee met mij, mevrouw. Ik u man bellen, of dokter bellen. Kom mee.’
De vrouw pakt Lilians arm beet en kijkt haar opnieuw aan met die vreemde blik in haar ogen.
‘Nee, ik wil niet mee. Ze moet hier ergens zijn. Esmee!’ Lilian rukt zich los, ze kan de medelijdende blik van de vrouw geen seconde langer verdragen.
Als in een film ziet ze zichzelf over de markt rennen, hoort haar stem steeds de naam van haar dochter roepen, maar niemand reageert.
Joeri moet komen! Ze grijpt naar haar mobiel. Met een trilling in haar stem spreekt ze zijn voicemail in en voelt meteen weer de wanhoop. Ze rent weer, botst tegen mensen op, maar voelt niets behalve die ijskoude tinteling door haar lijf. Dit kan niet waar zijn!
En dan, als een oase in een woestijn ziet ze haar. Het kleine meisje bij de groentekraam heeft Esmee in haar armen geklemd. Schreeuwend en snikkend rent Lilian er op af.
‘Geef terug, dat is míjn kind!’.
Met grote angstige ogen laat het meisje toe dat Lilian de baby van haar overneemt, om daarna huilend achter de rok van haar moeder weg te kruipen. Lilian voelt nu hoe ze zelf bij haar arm gegrepen wordt en hoort Joeri zich verontschuldigen tegenover de vrouw en haar kind. Verbijsterd kijkt ze hem aan als hij Esmee teruggeeft aan het meisje. ‘Wat doe je met Esmee! Joeri!’
Joeri blijft zich verontschuldigen en trekt haar mee. Lilian probeert zich los te rukken, maar het heeft geen zin. Joeri’s greep is te vast.
Ze hoort hoe de moeder van het meisje haar kind probeert te kalmeren. ‘Rustig Suze, die mevrouw is ziek. Ze kan er niets aan doen.’
En dan het snikkende stemmetje van het meisje. ‘Is dat de mevrouw die altijd met die lege kinderwagen loopt?’
Lilian ziet als in een roes hoe de moeder naar haar dochter knikt en ze verstijft. Haar zorgvuldig opgeblazen zeepbel spat ruw uiteen.
De afstand de afgelopen tijd tussen haar en Joeri, de meewarige blikken van de Turkse vrouw, de mensen die steels naar haar keken, de ijzingwekkende stilte na haar bevalling. De kinderwagen was altijd leeg geweest…
Terwijl Lilian in elkaar zakt, klemt het meisje bij de groentekraam haar pop stevig tegen zich aan.

* * *

Trots met een natte 't'

Dit verhaal schreef ik voor de schrijfwedstrijd ‘Heel Rotterdam Schrijft’ in 2018. Het verhaal over de eeuwenoude strijd tussen ‘010 en 020’ is opgenomen in ‘Het Rotterdam Schrijft Boek’.

‘Leg nog eens uit, waarom hebben jullie Rotterdammers nou eigenlijk zo’n hekel aan ons?’ Mijn baas kijkt me met een uitgestreken gezicht aan, neemt nog een slok van zijn biertje en stoot zijn compagnon aan. ‘Snap jij het, Cor? Waarom die Rotterdammers altijd denken dat ze beter zijn dan wij?’
De serveerster van de Shabu Shabu op het Rembrandtplein plaatst onze gerechten op tafel. Het ruikt heerlijk, het ziet er hetzelfde uit, maar toch zit ik liever bij de Shabu op de Westblaak. Smaakdingetje?
Ik neem een slok van mijn cola en vraag me af of dit het zoveelste teamuitje wordt, waarbij ik in het hol van de leeuw gelokt ben en mezelf en mijn stad de hele avond moet verdedigen. Als ik het goed begrepen heb, staat er na het eten nog een heuse kroegentocht door de Jordaan op het programma. Leuk hoor, dat het hoofdkantoor van ons bedrijf in ‘020’ zit, maar kunnen we de volgende keer niet eens op mijn terrein afspreken?
Ik kijk rond. Mijn baas met naast zich zijn compagnon zit tegenover mij aan het andere hoofd van de tafel, links van mij Caroline en Maartje van financiën en twee man van de backoffice en rechts van mij nog drie man van de frontoffice. Stuk voor stuk rasechte Amsterdammers, met bijbehorende accenten en allen liefhebbers van het Amsterdamse levenslied. Ik verheug me nu al op die kroegentocht…
Naast mij zit Ruud, mijn enige steunpilaar binnen dit gezelschap. Maar hij is een Vlaardinger dus telt hij eigenlijk niet mee. Ik ben zwaar in de minderheid. Als Ruud me aanstoot heb ik pas door dat iedereen nog steeds verwachtingsvol naar me kijkt. Tot zover dus inderdaad mijn steunpilaar, meer een satéprikker…
Ik pak mijn stokjes op en wurm er een sushirol tussen. ‘Het is niet zozeer dat Rotterdammers een hekel hebben aan Amsterdammers, meer een gezonde afkeer.’ Ik glimlach maar niemand lacht terug. ‘Er zijn gewoon wat eh… verschillen,’ voeg ik snel toe. Gevoel voor humor is er een van, denk ik erachteraan.
Mijn baas begint te lachen. ‘Dat zeker ja, daar heb je gelijk in. Neem bijvoorbeeld om te beginnen eens het aantal keren dat óns cluppie kampioen is geworden. Een héél groot verschil met dat van jullie!’
Zijn compagnon Cor, fervent Ajax-fan, schiet ook meteen in de lach en gaat er eens goed voor zitten. ‘Ja, haha. Weten jullie wat een Feyenoorder als eerste doet nadat hij de Championsleague heeft gewonnen?’
De rest van het team kijkt hem afwachtend aan, ik incluis, al voel ik op mijn Rotterdamse sloffen aan welke kant dit op gaat.
‘Dan zet hij de PlayStation uit en gaat naar bed!’
Iedereen lacht, ook Ruud en ik mijmer terug naar veertien mei vorig jaar. De dag van die geweldige wedstrijd met de hattrick van Dirk Kuijt, die daarmee óns cluppie na achttien lange jaren eindelijk weer trakteerde op de schaal. De eerste keer dat ik het beleefde was ik nog maar net twintig en ik moest bijna tot mijn veertigste wachten tot het weer zover was, maar wat een feest! Hoewel ik niet veel met voetbal heb, stond ik beide keren met een dikke laag kippenvel op mijn armen tussen de hossende menigte op de Coolsingel en voelde me trots!
‘Ja, en wij zijn toch de hoofdstad, ookal hebben jullie dan de grootste haven van Europa. Hier gebeurt het. Amsterdam is hip and happening.’ Caroline neemt een hap van haar sushi en kijkt de tafel rond waar de collega’s instemmend knikken.
Ik denk aan een nieuwsbericht van nog maar een paar maanden geleden. Deze ‘hip and happening’ hoofdstad bleek bij de twintig procent wereldsteden te horen die het meest te lijden had onder de gevolgen van bezoekersdrukte. Eigen inwoners zagen vooral de negatieve kanten van de toeristenstroom en weinig voordelen. Ik hoor weer het nasale langgerekte accent van de Amsterdamse die de verslaggever te woord stond: ‘We worden hier gestoord van al die holadieetoeristen. Dat komt hier om te zuipen, te blowen en een beetje hoeren te kijken. Het lijkt hier op een gemiddelde vrijdagavond “O, o, Cherso” wel.’
Even overweeg ik te vertellen over het artikel in ’s werelds populairste reisgids, een paar jaar terug alweer. Die zette Rotterdam op de vijfde plaats in de top tien van aantrekkelijkste steden, in een lijstje waarin Amsterdam toch echt niet bij de eerste vier hoorde. Tot zover hip and happening… Rotterdam werd ‘een van de opwindendste steden ter wereld’ genoemd en ‘een openluchtmuseum voor postmoderne en hedendaagse architectuur’. Toch had ik sinds die tijd geen enkele Rotterdammer horen klagen – hoewel wij daar wel erg goed in schijnen te zijn ­– over het toenemende toerisme, maar slechts trots horen praten over de aantrekkingskracht van architectonische hoogstandjes zoals de Markthal, de Rotterdam en het nieuwe Centraal Station. Ik hou wijselijk mijn mond.
Aan tafel is een geroep ontstaan over de vele Amsterdamse highlights. Gretig vullen ze elkaar aan over de grachten, het Rijksmuseum, Artis, Madame Tussauds en ik dwaal af. In gedachten zie ik het canvas dat in mijn woonkamer boven de bank hangt voor me. De bank waar ik voorlopig nog niet op neer zal ploffen maar waar ik hevig naar verlang… Het canvas erboven van ruim anderhalve meter breed, bevat de mooiste skyline van Nederland. Een prachtige foto bij nacht met daarop de Erasmusbrug, de Kop van Zuid, de Willemsbrug, de Hef, de Maasboulevard én de Kuip in één blik gevangen. Een harmonieus geheel van licht en vormen dat bij mij altijd hetzelfde gevoel oproept. Trots, pure Rotterdamse trots!
‘Ja, en de werkeloosheid is bij jullie ook nog eens veel hoger. Niet lullen maar poetsen was het toch?’ Maartje geeft me een knipoog en het gesprek aan tafel barst weer los.
Niet lullen maar poetsen. Het was de vaste uitspraak van mijn inmiddels overleden vader, een man die wist wat werken met de mouwen opgestroopt was. Toen ik een jaar of vijftien was, raakte hij na een reorganisatie zijn baan kwijt, maar weigerde pertinent WW aan te vragen. Ook weer een van de vele vormen van Rotterdamse trots. Gelukkig duurde de werkeloosheid korter dan zijn trots en vond hij snel een baan als portier bij het Groot Handelsgebouw, hét symbool van de naoorlogse wederopbouw, gelegen aan het Centraal Station. Tot aan de dag van zijn hartinfarct wees hij klanten met een glimlach de weg in het gebouw dat een stad op zich is. Gestorven in het uniform dat hem zo lief was. Zijn glimlach vormt zich nu rond mijn lippen.
Het gesprek neemt een algemenere vorm aan, tot mijn collega Robin van de frontoffice bij het verschijnen van de derde gang weer een nieuwe bedacht heeft. Ik zie het aan zijn gezicht, hij zit te popelen om ook een duit in het Amsterdamse zakkie te doen.
‘Die Jules Deelder van jullie hè, wist je dat hij oorspronkelijk ontdekt is door een Amsterdamse dichter?’
Ik bijt op mijn lip en knik geïnteresseerd. Iets met Rotterdamse trots? Door mijn hoofd dreunt Jules’ beroemde uitspraak ‘Wie zijn ze dan metter Amsterdam dan?’ Compleet met natte ‘t’ zoals alleen wij Rotterdammers die hebben. Wat me weer doet denken aan de kraam die sindskort wekelijks op de centrummarkt staat. De kraam van Achmed, een Rotterdamse Marokkaan die verschillende artikelen verkoopt met typisch Rotterdamse teksten. Ik heb al twee linnen tasjes bij hem gekocht. De een met ‘pleurt ’t in me tassie’ en de ander met ‘tebbie daar voor lekkers?’ Ik neem me terplekke voor mijn collega’s bij het volgende uitje allemaal Achmeds mokken cadeau te doen met aan de ene kant ‘Amsterdam’ met daaronder drie kruisjes uit het stadswapen en aan de andere kant ‘Rotterdam’ met daaronder drie groene vinkjes. De blikken op hun gezicht is me het geld wel waard…
Ik neem mijn laatste hap sushi en leun achterover. Het eten heeft me in elk geval gesmaakt. ‘Zullen we het volgende teamuitje eens in Rotterdam doen?’ opper ik en ik stoot Ruud aan. ‘Boeken we een vaartocht door de haven, gaan we eten in de Euromast en nemen we nog een afzakkertje op het Stadhuisplein.’
Het valt meteen stil aan tafel en negen verschrikte gezichten staren me aan.
‘Varen over de Maas? Ik weet het niet hoor, ik word zo snel zeeziek,’ klinkt Maartje naast me. Ze roert wat door de achtergebleven rijstkorrels in sojasaus op haar bord.
‘De Euromast trekt mij niet zo. Sorry, hoogtevrees…’ Cor grijnst wat ongemakkelijk zijn tanden bloot.
‘Helemaal naar 010 is ook niet echt praktisch, aangezien wij allemaal hiervandaan moeten komen,’ vult Robin aan en wederom voel ik een glimlach over mijn gezicht glijden. Heel de avond hebben ze mijn stad af zitten zeiken, maar als het er op aankomt, zijn ze te laf om er eens naartoe te gaan. Bang misschien om erachter te komen dat Rotterdam helemaal zo ‘rot’ nog niet is?
‘Jammer hoor, jullie weten niet wat je misloopt.’ Ik sta op en schuif mijn stoel naar achteren. ‘Ik ga nu effe naar mijn eigen gezeik luisteren voordat ik die Amsterdamse smartlappen zo aan moet horen.’ Ik loop naar de toiletten terwijl ik ze achter me hoor fluisteren en giechelen. ‘Bedrijfsuitje in 010? Is ze gek of zo, mooi niet dat ik daar naartoe ga…’
Op het toilet kijk ik in de spiegel. Trots op mezelf dat ik me niet heb laten verleiden tot flauwe opmerkingen en grappen over Amsterdammers. Een Rotterdammer is trots op zijn stad, maar hoeft het nu eenmaal niet zo nodig te bewijzen, misschien is dat nog wel het grootste verschil. Ik hoop niet dat ik mijn Rotterdamse trots ooit kwijt zal raken, ik verhuis nog liever naar 020…

Ja toch. Niet dan?

* * *

Flamingo Beach

Dit verhaal schreef ik oorspronkelijk ook voor de schrijfwedstrijd Rotterdam Schrijft, maar heb ik later veranderd en een lekker zomers tintje gegeven…

Ik voel me licht. Zwevend bijna, alsof ik niet echt in bed lig. Het duurt nog een seconde of vijf voor ik uit die heerlijke vergetelheid ontwaak en me afvraag waar ik ben. Dit is niet mijn eigen bed, of nou ja, eigenlijk ook wel. Ik kom overeind en kijk rond. Mijn oude vertrouwde meisjeskamer, in het huis van mijn ouders.
Als de deurbel gaat, raakt de realiteit me als een mokerslag. Beelden die voor altijd op mijn netvlies gegrift zullen staan, komen ongenadig terug en vertellen me waarom ik hier ben. Ik voel pijn, intense schurende pijn zoals ik die nog nooit gevoeld heb. Ik zie Sara’s gezicht met die verwrongen grimas erop en mijn maag draait zich om.
Ik sta op en sluip naar de trap. Op de derde trede van boven stop ik en ga ik op mijn hurken zitten, Zo kan ik precies de woonkamer in gluren.
‘Kijk eens,’ zegt mijn vader met een gigantisch bloemstuk in zijn armen tegen mijn moeder. Zij snikt slechts en schudt haar hoofd.
‘Ik kan het gewoon niet geloven…’ vervolgt mijn vader met een dikke stem en het snikken van mijn moeder gaat nu over in huilen. Mijn vader fluistert sussende woordjes tegen haar.
Hun eensgezinde verdriet maakt de toch al enorme knoop in mijn maag nog groter en snel vlucht ik terug naar boven, mijn bed weer in. Ik ben er nog niet aan toe om ze onder ogen te komen.
Starend naar het plafond wens ik over en over dat dit alles een nachtmerrie is. Eentje waaruit ik hopelijk snel ontwaak. Dan gaan mijn gedachten terug naar gisteren en hoor ik Sara’s stem…

‘Wauw, Anna! Waar heb je die gescoord?’
Ik gooi mijn jurkje op de handdoek en geniet van Sara’s bewonderende blik op mijn flamingoroze bikini. Het gebeurt niet vaak dat ik iets heb wat zij graag wil hebben.
‘Cadeautje van mijn oom en tante, ze zijn pas op Aruba geweest.’
‘Aruba, toe maar.’ Sara trekt haar jurkje uit en een eenvoudige zwarte bikini komt tevoorschijn. Een vergenoegd gevoel overspoelt me even, maar toch zie ik de twee knullen die een stukje rechts van ons zitten geïnteresseerd naar háár kijken als ze zich op haar handdoek vlijt. Mijn flitsende bikini kan niet op tegen haar vrouwelijke vormen. Ik gluur naar beneden, waar mijn kippenborst met moeite de voorgevormde cups
‘Je moet hem een keer aan me lenen, hij is geweldig.’ ‘Mmmm,’ hum ik en bedenk me dat hij haar waarschijnlijk ook veel beter zal staan met haar gebruinde huid en haar honingblonde haar. Ik gluur opzij en zie de twee jongens nog steeds naar ons kijken, althans, naar Sara dan. De langste van de twee is helemaal mijn type. Glanzend gitzwart haar, donkere ogen. Een beetje Johnny Depp in zijn jongere jaren. Ik schat hem in op een jaar of achtentwintig. Zijn vriend naast hem lijkt iets jonger en doet wat meer Leonardo DiCaprio-achtig aan. Blond haar, blauwe ogen, beetje een babyface en minder mijn smaak. Alsof het überhaupt wat uitmaakt welke van de twee ‘mijn smaak’ is, met Sara naast me maak ik sowieso geen schijn van kans… Zuchtend haal ik de zonnebrand uit mijn tas om mijn twee melkflessen in te smeren, wetende dat als ik dat niet doe, mijn huid aan het eind van de dag dezelfde kleur heeft als mijn bikini. ‘Denk je dat wij ooit ook zulke luxe reizen zullen maken?’ vraag ik terugkomend op ons gesprek. Ik smeer de zonnebrand uit over mijn benen, waardoor ze nog witter worden. ‘Volgens mijn tante was het geweldig op Aruba. Echt zo’n Bounty eiland wat je wel eens op tv ziet. Hagelwitte stranden, azuurblauw water, gekleurde vissen, zelfs Flamingo’s!’
‘Wat denk je zelf?’ vraagt Sara nuchter en ze tuurt voor zich uit over het water van de Maas. ‘Playa del Rotterdam is het voorlopig voor ons met onze studentenbeurs.’
Ik stop met smeren en kijk ook voor me uit. Hoewel het pas elf uur is, schijnt de zon al fel en toveren de stralen een schittering over het water. Dat is dan ook het enige mooie wat er in de wijde omtrek te zien valt (op de twee jongens na), met het uitzicht op de scheepswerf aan de overkant en de vrachtschepen vol containers die onafgebroken voorbijvaren. Geen wuivende palmen of hagelwit zand. Ik denk terug aan de eerste keer dat Sara me meenam naar dit plekje vlak bij ons studentenhuis, drie zomers geleden.
‘Voilà, hier is het!’ had ze na een korte wandeling over de dijk gezegd.
Ik keek om me heen. Een dorre vlakte vol kiezels, wat gras en een metershoge zandsilo. ‘Is dit wat je wilde laten zien?’ Het lukte me niet om mijn teleurstelling te verbergen.
‘Kom nou maar.’ Ongeduldig trok ze me mee aan mijn arm, naar een stuk gras waar een steil pad een aantal meters naar beneden daalde. Ik volgde haar de helling af en bleef staan toen ik zag wat ze bedoelde. Mijn voeten staken plotseling in zacht zand en het water van de Maas rolde een paar meter verderop ruisend af en aan. ‘Een strandje,’ fluisterde ik alsof we het paradijs op aarde zojuist ontdekt hadden.
‘Ja, te gek hè?’ jubelde Sara naast me terwijl ze haar broekspijpen oprolde. ‘We hebben gewoon strand, op loopafstand! Nu maakt het geen bal meer uit dat we allebei op zwart zaad zitten en geen vakantie kunnen betalen, we gaan gewoon lekker hier chillen.’
Het werd onze vaste hangplek om na college en in de weekenden te zonnen. Gewapend met zakken chips, flessen rosé en elkaar. Niet veel mensen leken van de plek op de hoogte en zelfs op écht hete dagen was het er vrij rustig.
Ook vandaag weer zijn Saar en ik hier alleen met Johnny en Leonardo, een oudere man met een hyper rondrennende labrador en drie gezette dames van middelbare leeftijd.
‘Het is wel goed heet vandaag, hè. Wat denk je, zullen we het water in?’ Sara kijkt me aan en ik schud direct mijn hoofd. Dat was de deal, niet zwemmen. De stroming is hier verraderlijk.
‘Ah, kom op nou,’ zeurt Sara. ‘Het kan echt wel hoor, er wordt hier zo vaak gezwommen.’
‘Het is verboden,’ hoor ik mezelf plichtsgetrouw zeggen. ‘Wil je soms net zo eindigen als die twee jongens die vorige maand verdronken zijn?’
‘Dat was in de Lek, niet in de Maas.’ Sara staat op. ‘Kom.’
Ik schud opnieuw mijn hoofd en ga op mijn buik liggen. Het interview op het nieuws met iemand van Rijkswaterstaat staat me nog helder voor de geest.
‘Nou, dan moet je het zelf maar weten. Ik ga afkoelen.’
Vanachter mijn zonnebril kijk ik toe hoe ze heupwiegend naar de waterlijn loopt. De labrador komt meteen enthousiast op haar afgevlogen en ze haalt hem aan. Johnny en Leonardo kijken naar haar en ik glimlach. Aan haar manier van bewegen zie ik dat ze zich uiterst bewust is van hun blikken en ervan geniet. Soms wou ik dat ik wat meer op haar leek. Onbevangen Sara, spontaan, vrolijk en altijd haar woordje klaar. Daar waar ik vaak met mijn mond vol tanden sta en me met aandacht van mannen al helemaal geen raad weet. Ik kijk opzij en zie het tweetal overeind komen en zich bij Sara voegen aan de waterlijn. En ja hoor, met het grootste gemak zijn ze meteen geanimeerd met elkaar in gesprek terwijl de adhd-hond om hen heen cirkelt. Voor Sara me erbij kan roepen zodat ik mezelf onsterfelijk belachelijk kan maken, leg ik mijn hoofd op mijn armen en doe ik alsof ik slaap. Met de zon die op mijn rug brandt, de golven die af en aan rollen en het geluid van krassende zeemeeuwen boven mijn hoofd, lukt het me om me in te beelden dat ik op Flamingo Beach loop, nee, flaneer… in mijn flamingoroze bikini waarvan de cups in mijn verbeelding uiteraard wel goed gevuld zijn. Ik neem plaats op een barkruk van een strandtent, waar Johnny achter de bar staat. Hij glimlacht naar me.
‘Wat kan ik voor je inschenken, schoonheid? Een blue lagoon, een tequila tropicana of nee, wacht…’ Hij duikt onder de bar en tovert een fles wodka tevoorschijn in zijn ene hand en in zijn andere een fles cranberrysap. ‘Een Pink Flamingo voor deze mooie dame?’ Hij laat zijn ogen goedkeurend over mijn lijf glijden.
Ik leun wat naar voren en weet uiteraard het juiste antwoord te geven. ‘Alleen als jij er ook een neemt.’
Hij gaat aan het mixen en shaken en binnen een minuut staan er twee gevulde cocktailglazen op de bar met een schijfje citroen aan de rand en een muntblaadje erin. Ik neem een slok en voel het aangenaam prikken op mijn tong. Hij kijkt me indringend aan en buigt zich voorover over de bar, terwijl de Arubaanse wind door de palmbomen ruist op de achtergrond. ‘Weet je dat je het mooiste meisje bent dat ik hier ooit gezien heb?’
Ik glimlach, sluit mijn ogen en buig ook voorover. Een natte, ruwe tong glijdt over mijn wang en ik gruwel. Getver! Ik spring overeind en staar in twee donkerbruine ogen. Niet van Johnny maar van de labrador.
‘Binkie! Niet doen!’ hoor ik de eigenaar roepen en hij stuift in een koddig drafje op de hond af. ‘Sorry hoor, meissie, ik weet niet wat dat beest bezielt vandaag. Hij heb zeker de kolder in zijn kop door de hitte.’ Hij pakt de labrador bij de halsband en het beest kijkt verlangend naar me. Het zijn mooie bruine ogen, maar niet zo mooi als die van de barman.
‘Geeft niks hoor,’ wuif ik zijn verontschuldigingen weg en ik wrijf over mijn wang. De man gaat met zijn hond terug naar zijn plek en legt het beest nu aan de lijn, die hij vastmaakt aan zijn strandstoel. In het water lachen en spetteren Sara en de jongens. Ze zijn tot boven hun middel in het water als er een vrachtschip voorbijvaart. Het drietal deint mee op de golven die het veroorzaakt.
In mijn hoofd hoor ik de man van Rijkswaterstaat weer. ‘Zwemmers beseffen vaak niet dat ze voor de opvarenden van zo’n vrachtschip een stipje in het water zijn. Je kunt zo worden meegezogen in de onderstroom van een schip. En dan heb je nog de stroming van de rivier zelf, sterk wisselende temperaturen van het water. Als je als zwemmer kramp krijgt dan…’
Aan de geluiden vanaf het water te horen, is de enige kramp die Sara momenteel krijgt van het lachen. Ik sluit mijn ogen in de hoop weer af te dwalen naar mijn vakantiebestemming met knappe barman.
Als Sara mijn naam roept, word ik verward wakker. Hoe lang ben ik weggeweest? Mijn mond voelt droog aan en mijn rug brandt. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en zie haar naar me zwaaien.
‘Kom, Anna. Het is echt heerlijk!’
Sara zwaait nogmaals en ook Johnny heft zijn hand naar me. Shit! Wat heeft Sara tegen hem gezegd? Ze weet dat hij mijn type is. Ik krabbel overeind en loop nog wat versuft naar de waterlijn. Een stukje links zie ik weer een schip opdoemen, een megageval deze keer. Ik neem een paar stappen het water in en gebaar naar het drietal dat ze eruit moeten komen.
Als ik mijn hand boven mijn ogen plaats, zie ik dat ze naar het schip kijken en niet naar mij. ‘Saar!’ roep ik. ‘Kom nou uit…’
Mijn geluid wordt overstemd door het zware geronk van de motor van het vrachtschip. En hoewel het stalen gevaarte zeker zo’n veertig meter van me verwijderd is, voel ik de zuiging die in het water ontstaat. Mijn voeten zakken verder weg in het natte zand en ik trek ze met een zompig geluid weer los. ‘Saar!’ roep ik weer en Sara draait haar hoofd naar me toe. Ze steekt haar arm in de lucht, zwaait al watertrappelend naar me en dan verdwijnt ze plotseling onder water.
Voor een paar luttele seconden denk ik nog dat ze me in de maling neemt, maar dan zie ik ook Leonardo kopje onder gaan en Johnny wild met zijn armen zwaaien. Ondanks de brandende zon heb ik het spontaan ijskoud.
‘Shit!’ Ik ren het water in, zo snel ik kan. Golven slaan nu tegen mijn buik en werpen me haast omver. ‘Sara!’ gil ik, maar ze is nergens te bekennen. Ik draai me om naar het strandje en begin te schreeuwen. ‘Help, ze verdrinken! Help!’
De man van de labrador en de gezette dames komen overeind en lopen als in slowmotion naar de waterlijn. Waarom doen ze niks, ziet dan niemand dat ze verdrinken? De labrador blaft luid en trekt de strandstoel achter zich aan, om ook stil te houden bij de waterlijn.
Ik draai me terug en zie alleen Johnny nog met zijn armen maaien. Het schip is inmiddels voorbij en ik bedenk me niet langer. Ik duik het water in en crawl naar de plek waar ik Sara voor het laatst zag. De golven zijn wild en de koude luchtstromen trekken ongenadig langs mijn benen en middel. Na een diepe ademteug duik ik onder water, waar alles wazig en donker is. Geen azuurblauwe zee, maar slechts de grijze mist van de Maas.
In de vage vormen die ik onderscheid, zie ik bubbeltjes en wuivende slierten en opeens besef ik wat het is. Sara’s honingblonde haar dat als zeewier om haar heen drijft.
Met alle kracht die ik in me heb, zwem ik naar haar toe en plaats mijn armen onder haar oksels. Ik trek ik haar mee naar boven en samen bereiken we de oppervlakte. Hoestend en gorgelend kijk ik haar aan en ik schrik van de grimas op haar gezicht en haar blauwe lippen. Rechts van me zie ik Johnny spartelen en ik strek mijn arm uit. Een nieuwe golf slaat over ons heen en we verdwijnen weer onder water, Sara glipt los uit mijn greep. Ik tast om me heen, op zoek naar Sara, naar wat voor houvast dan ook, maar er is niets. De druk op mijn hoofd wordt groter en groter, mijn longen branden en ik besef dat ik naar boven moet.
Uit alle macht spartel ik met mijn benen tegen de stroming in om mezelf omhoog te werken. Mijn spieren verzuren en mijn hart lijkt haast te exploderen in mijn borstkas. Ik trap en ik trap omdat ik zie dat het steeds lichter wordt, dat is waar ik heen wil. Waar ik heen moet!
Dan zijn er handen die onder mijn oksels glijden en ik geef me over aan het verlossende gevoel. Mijn spieren verslappen, zijn te moe om nog mee te bewegen. Dan is er fel licht, ik zie de zon en de zeemeeuwen boven me, en ik verwelkom de warmte op mijn huid. Het snerpende geluid van sirenes klinkt in de verte en ik sluit vermoeid mijn ogen.

Ik schrik wakker, zie het plafond van mijn slaapkamer weer en besef dat de nachtmerrie echt is. Wakker worden biedt geen uitweg.
Snel kleed ik me aan en ga naar beneden, ik kan mijn ouders niet uit de weg blijven gaan.
In de woonkamer tref ik mijn moeder aan voor de tv. Haar gezicht staat gespannen als ze luistert hoe de nieuwslezer zijn tekst opleest:
‘De lichamen van de jongen en het meisje die gisteren verdronken in de Maas zijn nog niet gevonden. De politie zoekt vandaag verder, maar verwacht dat het door de sterke stroming nog even kan duren voor ze gevonden zijn’.
Hij is nog bezig met het uitspreken van zijn laatste zin, als mijn moeder in tranen uitbarst en ik zie haar van verdriet verwrongen gezicht. Tranen prikken ook achter mijn eigen ogen en ik sla een arm om haar heen. ‘Ze had nooit dat water in moeten gaan. Ik had haar tegen moeten houden,’ fluister ik.
Mijn moeder reageert niet en een poosje zitten we in stilte. Dan staat ze plotseling op en mijn arm glijdt van haar af. Ze veegt haar tranen weg, loopt zonder iets te zeggen naar de keuken en gaat bij mijn vader aan de eettafel zitten. Ook hij negeert me volkomen, bijna alsof ik niet besta en het schuldgevoel brandt tot diep in mijn binnenste. Nooit eerder hebben ze me genegeerd.

De sfeer in huis was zo beklemmend dat ik het niet langer uithield, ik moest daar weg. Niemand die iets zei, verstikkend. Bijna net zo verstikkend als het water.
Na een wandeling over de dijk ga ik in het gras zitten, een eindje bij de groepjes ramptoeristen vandaan. Ik kijk naar het afgezette strandje onder me en zie ook de boten met duikers in het water. Met man en macht zoeken ze nog naar Sara en de jongen en ik bid dat ze snel gevonden worden. Hun ouders moeten door een hel gaan.
Met mijn handen om mijn knieën geslagen blijf ik zitten tot ik opschrik van geroep van de duikers op het water.
‘We hebben haar gevonden! We hebben het meisje!’
Naast me klinken uitroepen van afschuw en verdriet en ik kijk naar het groepje omstanders. Verdwaasd kom ik overeind en loop er naartoe. Ik knipper met mijn ogen want mijn hersenen begrijpen niet wat mijn ogen zien. ‘S-sara?’ stotter ik.
Met bibberende handen veegt Sara de tranen van haar wangen en kijkt me niet eens aan. Ze houdt haar strakke blik op de duikers gericht.
‘Saar,’ herhaal ik zacht en dan heb ik het gevoel alsof ik met ijssnippers besprenkeld word. Sara, mijn ouders, de beklemmende stilte… Ik draai mijn hoofd naar het water, zie hoe duikers een lichaam de boot in hijsen en de haartjes op mijn armen komen overeind tegelijk met het besef dat bij me binnenkomt. Aruba zal voor mij altijd een droom blijven.
Het lichaam op de boot is gehuld in een flamingoroze bikini.

* * *